Epistel Januari 2017: Onderzoek

created by Vereniging voor Epidemiologie | |   Epistels

Verslag 39th San Antonio Breast Cancer Symposium 2016, San Antonio, Tx

Dankzij de “VvE Publicatieprijs junior onderzoeker 2015” kon ik (Annette Heemskerk-Gerritsen) het 39ste San Antonio Breast Cancer Symposium bezoeken, dat dit jaar plaatsvond van 6 tot 10 december in San Antonio, Tx.

Het is met meer dan 7500 bezoekende onderzoekers,  artsen en andere gezondheidsprofessionals uit meer dan 90 landen, en meer dan 1350 geaccepteerde abstracts, het grootste symposium op het gebied van borstkanker ter wereld. Het symposium beoogt te informeren over de huidige stand van zaken van de experimentele biologie, etiologie, preventie, diagnose en behandeling van borstkanker en premaligne ziekte van de borst.

In dit verslag worden een aantal gepresenteerde hoogtepunten op het gebied van onderzoek naar borstkanker beschreven.

Verlengde adjuvante endocrine therapie
Vanwege het hoge risico op terugkeer van hormoongevoelige borstkanker wordt er veel onderzoek gedaan naar de invloed van het verlengen van de duur van hormoontherapie.

Dr. Vivianne Tjan-Heijnen presenteerde de resultaten van de multicenter phase III DATA study, waarin 1912 postmenopauzale vrouwen met hormoongevoelig borstkanker die 2 tot 3 jaar zijn behandeld met tamoxifen, werden gerandomiseerd naar 3 of 6 jaar behandeling met anastrozol, een aromatase-remmer. Uit de studie bleek dat niet alle postmenopauzale vrouwen met hormoongevoelig borstkanker baat hebben bij hormoonbehandeling die langer duurt dan de nu volgens de richtlijn voorgeschreven 5 jaar.  De resultaten suggereren wel voordeel voor bepaalde groepen, met name voor patiënten met zowel oestrogeen- als progesteronpositieve tumoren, patiënten met HER2-negatieve tumoren, patiënten met grote tumoren en patiënten die tevens behandeld zijn met chemotherapie.

In de IDEAL trial randomiseerden Dr. Erik Blok en collega’s 1824 postmenopauzale patienten die na 5 jaar te zijn behandeld met tamoxifen en/of aromatase-remmers, naar 2,5 of 5 jaar verlengde behandeling met letrozol (een aromatase-remmer). De onderzoekers vonden geen subgroepen die voordeel hebben bij het verlengen van de hormoonbehandeling tot 10 jaar. Wel bleek het risico op een 2eprimaire borstkanker lager te zijn na verlenging van de therapie met 5 jaar.

In zowel de DATA als de IDEAL trial wordt een hoge frequentie van toxische neveneffecten gevonden, wat z’n weerslag heeft op het volhouden van de behandeling.

Dr. Eleftherios Mamounas presenteerde de resultaten van de NSABP B-42 trial, waarin onderzocht werd of 5 jaar letrozol versus placebo de ziektevrije overleving verbeterd bij patienten die al 5 jaar zijn behandeld met hormonale therapie. Er werd geen significant effect in het voordeel van letrozol gevonden op de ziektevrije en algehele overleving.

Doelgerichte anti-HER2 behandeling
Dr. Aleix Prat presenteerde de eerste resultaten van de PAMELA clinical trial, een niet-gerandomiseerde, multicentrische, prospectieve studie in stage I-IIA HER2-positieve borstkanker patiënten. In deze studie wordt onderzocht of intrinsieke BC subtypes een pathologisch complete respons in de borst kunnen voorspellen na 18 weken van neo-adjuvante behandeling met lapatinib (een tyrokinaseremmer) en trastuzumab (een monoklonaal antilichaam gericht tegen de HER2-receptor). De pathologisch complete response rate was 46.9% in zogenaamde ‘Normal-like tumors en 11.9% in non-Normal-like tumors. De studie bevestigde verder dat het HER2-verrijkte subtype zeer gevoelig is voor HER2-blokkade bij HER2-positieve borsttumoren in de afwezigheid van behandeling met chemotherapie.

Dr. Grazia Arpino toonde de resultaten van de PERTAIN studie, een gerandomiseerde, multicenter fase II studie gericht op het onderzoeken van de doeltreffendheid en veiligheid van pertuzumab (een monoklonaal antilichaam gericht tegen de HER2-receptor) gegeven in combinatie met trastuzumab en een aromataseremmer in patiënten met uitgezaaid HER2-positief borstkanker. Toevoeging van pertuzumab bleek te leiden tot een langere progressievrije overleving in vergelijking met patiënten die alleen trastuzumab en aromataseremmers kregen. De uitgebreidere behandeling werd bovendien goed verdragen en er werden geen nieuwe veiligheidsproblemen gezien.

Dr. Maki Tanioka bediscussieerde de CALGB 40601 studie, een gerandomiseerde neo-adjuvante fase III trial waarin gekeken wordt naar voorspellers van pathologisch complete respons bij HER2-positieve borstkanker patiënten. De onderzoekers concludeerden dat in CALGB 40601 genexpressie signaturen en veranderingen in het aantal DNA kopieën goede voorspellers zijn voor pathologisch complete respons.

Dr. Mothaffar Rimawi presenteerde de resultaten van NSABP B52, een fase III trial waarin de pathologisch complete respons wordt onderzocht in oestrogenreceptor-positieve, HER2-positieve borstkanker patiënten die werden neo-adjuvant werden behandeld met docetaxel, carboplatin, trastuzumab/pertuzumab met en zonder verlaging van de oestrogeenspiegel. De toevoeging van oestrogeenspiegel verlagende middelen had geen negatief effect op de toxiciteit of het optreden van anemie, hypokalemie of febriele neutropenie. De pathologisch complete respons was 41% in de controlegroep en 46% in de groep met de verlaagde oestrogeenspiegel, maar dit verschil was niet significant.

Genetische of familiaire predispositie voor borstkanker
Dr. Fergus Couch en collega’s bestudeerden 60.000 vrouwelijke borstkanker patiënten die waren getest voor mutaties in genen die een rol  spelen bij de ontwikkeling van (borst)kanker. Mutaties werden gevonden in 9% van de borstkanker patiënten. De volgende genen waren geassocieerd met een gemiddeld risico op borstkanker: TP53, PTEN, CHEK2,CDH1, ATM, RAD51D, MSH6. Naast de bekende BRCA1 en BRCA2 genen bleek ook PALB2 geassocieerd te zijn met een hoog borstkanker risico.

Dr. Diana Eccles presenteerde de resultaten van de POSH (Prospective study of Outcomes for Sporadic versus Hereditary breast cancer) studie, waarbij de onderzoekers hebben gekeken naar de prognose voor jonge (≤40) borstkanker patiënten. Uit de resultaten bleek na een mediane follow-up van 8,2 jaar de overall survival gelijk te zijn voor patiënten met en zonder een mutatie in één van de BRCA genen. Uit de sub-analyse waarbij alleen patiënten met een zogenaamde triple-negatieve borstkanker (d.w.z. geen expressie van oestrogeen-, progesteron-, of HER2-receptoern) weren geïncludeerd, bleken BRCA mutatiedraagsters in deze groep wel een betere overleving te hebben dan patiënten zonder BRCA mutatie.

Tijdens een postersessie heb ik de resultaten gepresenteerd van onze studie naar het risico op primair en contralateraal borstkanker bij BRCA1/2 mutatiedraagsters met een voorgeschiedenis van eierstokkanker. Door de data te analyseren met een regressiemodel met overlijden als een ‘competing risk event’ en eierstokkanker als een tijdsafhankelijke variabele, toonden we aan dat in BRCA1 mutatiedraagsters een voorgeschiedenis van eierstokkanker is geassocieerd met lagere risico’s op zowel primair als contralateraal borstkanker. In BRCA2 mutatiedraagsters bleek eierstokkanker niet-significant geassocieerd met een verminderd risico op primair borstkanker en een hoger risico op contralateraal borstkanker, maar de aantallen in de BRCA2 groep zijn te klein om harde conclusies te kunnen trekken.

Back